Voorzijde
Evolutie FAQ
Bewijzen
Antwoorden
Degeneratie?
Reacties
Links
Login


  Artikel info
Auteur(s): Fedor A. Steeman
drs. Biologie
...
GecreŽrd:
23/12/2004
Laatste wijziging:
23/12/2004
Eerder gepubliceerd:
Op de oude website

  Speciaal
Terug naar de inhoud
Reageer op dit artikel
Wijzig dit artikel
Schrijf nieuw artikel

  Lees ook:
onder constructie...

Veelgebruikte argumenten tegen fossielen

Geconfronteerd met zo'n enorme bewijslast voor de evolutie-theorie als het fossielenbestand is het begrijpelijk dat creationisten flink wat tegengas moeten geven willen ze hun eigen standpunten kunnen behouden.

De door hen gebruikte argumenten kunnen ruwweg in de volgende categorieŽn gegroepeerd worden:

  1. Er worden geen tussenvormen gevonden.
  2. De dateringsmethoden deugen niet.

Argument 1 wordt vaak zondermeer als waarheid aangenomen. Per slot van rekening geeft de beroemde evolutionist ťn paleontoloog Stephen J. Gould dat zelf ook toe (hoewel: lees hier). Dit is echter verre van waar! Er worden voortdurend nieuwe tussenvormen gevonden, maar de perfecte graduele overgangen die creationisten eisen zijn nu juist om verklaarbare redenen vrij zeldzaam! Als de creationisten in kwestie op de gevonden tussenvormen worden gewezen neemt hun argument al snel de volgende vorm aan:

1. De vermeende tussenvormen deugen niet, en wel om de volgende redenen:

  1. Het materiaal is te fragmentarisch om voldoende conclusies te kunnen trekken
  2. Het kan geen tussenvorm (of voorouder) zijn, omdat hij helemaal niet op zijn vermeende afstammeling lŪjkt.
  3. Het kan geen tussenvorm (of voorouder) zijn, omdat hij teveel op zijn vermeende afstammeling lijkt en daar dus identiek mee is.
  4. De dateringsmethode deugt niet

Welnu, het kan aan mij liggen, maar ik krijg hier sterk de indruk dat iemand zich in allerlei bochten wringt om onder de bewijslast uit te komen. Maar goed, laten we eens nader bekijken wat er van deze argumenten waar is. De argumenten zijn in feite gebaseerd op onbegrip van wetenschappelijke kennis en werkmethoden.

1a. Het materiaal is te fragmentarisch. Als het materiaal werkelijk te fragmentarisch zou zijn, zouden er ook geen conclusies kunnen worden getrokken. Met een hele wetenschappelijke gemeenschap die op je vingers kijkt - inclusief tegenstanders - kijk je wel uit om al te voorbarige conclusies te trekken! In feite heeft men al zoveel kennis vergaard van de kenmerken van de verschillende levensvormen dat op basis van de juiste fragmenten, hoe klein dan ook, er wel degelijk solide conclusies kunnen worden getrokken. Dit komt omdat bepaalde lichaamsdelen van een organisme meer informatie bevatten over de identiteit van dit organisme dan andere. Zo zijn bv. tanden vaak bijzonder waardevol voor het ontrafelen van de verwantschappen van een gevonden fossiel. En vaak zijn tanden nu juist datgene wat het beste bewaard blijft. Dat is niet zo gek als het misschien klinkt: In de recherche gebruikt men ook gebitskenmerken om de identiteit van het stoffelijk overschot van een onbekend persoon te achterhalen, en met succes!

1b. De tussenvorm lijkt niet op zijn vermeende afstammeling. Dit is een vreemd soort redenering. Wat het in feite zegt is: er is geen evolutie geweest, omdat er geen evolutie is geweest! Natuurlijk lijkt de afstammeling niet in alle aspecten op zijn vooroudersoort, dat is nu juist het effect van evolutie! Het klinkt misschien raar, maar deze zwakke manier van argumenteren wordt wel degelijk regelmatig gebruikt. Zo wordt er bv. van de oervogel Archaeopteryx gezegd dat hij geen voorouder van de vogels kan zijn omdat hij geen groot borstbeen bezit waar de vliegspieren aan vast moeten zitten. Dat is helemaal niet vreemd vanuit het evolutie-perspectief, omdat je nu juist zou verwachten dat er specialisatie in het vliegen plaatsvindt van de primitieve Archaeopteryx tot de moderne vogels. En die specialisatie houdt dus o.a. veranderingen als de vergroting van het borstbeen in.

1c. De tussenvorm lijkt teveel op zijn vermeende afstammeling. En daarmee komen we gelijk op het volgende veelgehoorde argument, dat vreemdgenoeg juist het omgekeerde is van de vorige. Nu wordt er geargumenteerd dat de paleontologen, in hun ijver tussenvormen te vinden, het materiaal als primitiever beoordelen dan het in werkelijkheid is. Bv. als paleo-antropologen zeggen dat fossiele 'aapmensen' al veel moderne kenmerken blijken te bezitten, wordt dat geÔnterpreteerd alsof ze dan ook maar gelijk volledig modern zouden zijn. Ook worden vermeende primitieve kenmerken afgedaan als afwijkingen door ziekte. Zo zou de Neanderthaler alleen maar primitief lŪjken, omdat de gevonden exemplaren leden aan bepaalde botziekten zoals acromegalie (=wildgroei van botweefsel) en afwijkingen aan de wervelkolom die een minder rechtopstaande houding zouden geven. (Overigens is de gebochelde, minder rechtopstaande houding van de Neanderthaler achterhaald en zijn de meeste paleo-antropologen het erover eens dat de mens in zijn evolutie al vrij vroeg (kaars)rechtop stond.) Een tussenvorm bevat natķķrlijk een mengeling van zowel primitieve als geavanceerde kenmerken. Dat is waar je een tussenvorm nu juist aan kan herkennen! Door op basis van alleen de geavanceerde kenmerken te concluderen dat de tussenvorm te modern is, of op basis van alleen de primitieve kenmerken te primitief, ontwijk je logischerwijs de contentie dat het hier om een tussenvorm gaat. Het getuigt echter niet van een eerlijke en objectieve manier van kijken naar het volledige bewijsmateriaal.

1d. De dateringsmethoden deugen niet. Dit argument is min of meer identiek aan het volgende, argument 2, en zal daarom hieronder behandeld worden. In elk geval gaat het hier erom dat tussenvorm geologisch niet tussen de soorten die het verbindt voor zou komen, en dus eerder slechts een soort 'chimaera' zou zijn dan een evolutionaire overgangsvorm.

Zoals misschien wel duidelijk is geworden, proberen de creationisten in kwestie er alles aan te doen om de fossiele gegevens in diskrediet te brengen. Het zelfde geldt ook voor de geologische methoden die gebruikt worden om de verschillende aardlagen waarin de fossielen worden gevonden te dateren. Hiermee komen we terug op het hierboven vermelde tweede hoofdargument, dat als volgt luidt:

2. De gebruikte dateringsmethoden deugen niet, en wel om de volgende redenen:

  1. Er is sprake van een cirkelredenatie, omdat de verschillende aardlagen gebruikt worden om fossielen te dateren, en de fossielen gebruikt worden om de aardlagen te dateren.
  2. De methoden op basis van isotopen hebben zijn onbetrouwbaar vanwege een te grote standaardafwijking.
  3. Wij kennen vele voorbeelden die niet kloppen met de gebruikte dateringsmethoden.

    1. Aardlagen in verkeerde volgorde

    2. Fossielen uit verschillende perioden in ťťn aardlaag
    3. Fossielen die door verschillende aardlagen heen steken

In al deze gevallen is er sprake van overhaaste conclusies op basis van onvoldoende kennis van zaken m.b.t. de geologie. Voor elk van de gegeven 'anomalieŽn' is een perfect plausibele verklaring te vinden. Met het gevaar te generaliseren zal ik een gooi doen naar de mogelijke verklaringen.

2a. Er is sprake van een cirkelredenatie. Dit is eigenlijk een nogal ferme uitspraak, want het beschuldigt wetenschappers in feite van het beoefenen van pseudo-wetenschap, i.e. het selectief aanpassen van de gegevens op basis van de eigen ideeŽn hierover. Het is een treffend voorbeeld van projectie door de pseudo-wetenschappers bij uitstek. Ik zal uitleggen waarom deze beschuldiging onterecht is.

Er is gťťn sprake van een cirkelredenatie waarbij evolutionaire patronen op het fossielenbestand geprojecteerd worden, omdat alleen bepaalde, algemeen voorkomende fossielen worden gebruikt voor datering. Deze fossielen worden gidsfossielen genoemd en worden bij dateringen van vindplaatsen over de gehele wereld gebruikt. De reconstructie van de volgorde van de aardlagen en de zich daarin bevindende fossielen is gebaseerd op consistente waarnemingen van deze opeenvolgingen in sedimentafzettingen over de gehele wereld! De kennis van de zogenaamde gidsfossielen wordt gevormd door deze waarnemingen, waardoor het een betrouwbare leidraad is om de ouderdom van allerhande aardlagen vast te stellen.

Reeds een tijd lang voordat de evolutie-theorie geÔntroduceerd werd, gebruikten geologen al gidsfossielen om de verschillende aardlagen te identificeren. In die dagen beschikte men nog niet over radio-isotoop of chemische dateringen en ook nu nog worden vaak de traditionele methoden gebruikt om een snelle, en vrij zekere datering van het sediment te bewerkstelligen. De typische opeenvolgingen van fossiele groepen, die nu zo'n sterk bewijs voor de evolutie vormen, werden toen ook al gevonden. Hoewel toendertijd gebrekkiger bekend, was dit dan ook een van de inspiratoren van de evolutie-theorie. Met andere woorden: De evolutie-gedachte is ook gebaseerd op waarnemingen uit de geologie en niet alleen de biologie, en dit proces was al lang gaande voordat Darwin zijn boek publiceerde.

Bovendien, fossielen worden niet op zichzelf gevonden maar als onderdeel van fossiele fauna's (en flora's). De fossielen van een bepaalde afzetting (fauna) zijn ook niet allemaal al bij datering bekend. Wanneer men een nieuwe fossielrijke afzetting vindt, wordt allereerst de ouderdom vastgesteld middels de hierboven beschreven gidsfossielen, en wat vondsten worden verzameld voor nadere bestudering in het laboratorium. Vervolgens worden er regelmatig weer nieuwe expedities naar de vindplaats georganiseerd om nieuw materiaal te verzamelen. Dit gebeurt o.h.a. met intervallen tussen de 5 en 30 jaar, afhankelijk van de afgelegenheid en de waarde van de vindplaats.

Welnu, er kan alleen sprake zijn van een reconstructie van fossielen in hun veronderstelde evolutionaire volgorde als de fossielen allemaal los van elkaar zouden staan en open staan voor elke mogelijke recombinatie. Het moge duidelijk zijn dat dit niet het geval is:

  1. Alle fossielen van een bepaalde vindplaats zijn in elk geval al met elkŗŗr verbonden ťn met de aldaar gevonden gidsfossielen. De datering die voor de ťťn geldt moet voor allen gelden.
  2. De fossielen worden ook nog niet eens allemaal tegelijk gevonden, zodat alle latere vondsten van dezelfde plek ook de alreeds vastgestelde ouderdom moet worden toegewezen.

  3. In het veld staat een aardlaag ook niet op zichzelf, maar staat in verband met andere aardlagen die, in de ideale situatie, recht boven en recht onder de aardlaag in kwestie worden gevonden, en dus respectievelijk jonger en ouder zijn.
  4. Bovendien worden de gegevens door individuele wetenschappers over de gehele wereld verzameld. Als iedereen kon doen met de gegevens wat hij wilde zou er al gauw een soort Babylonische spraakverwarring ontstaan, waarbij iedereen zijn eigen visie op evolutie beweert te vinden. Van oudsher worden echter de vondsten van de ene wetenschapper door de ander bevestigd. De individuele studies zijn dus consistent met elkaar.

De onvermijdelijke conclusie is dus dat de dateringen, gebaseerd op gidsfossielen alleen al, echt zijn en de aldus waargenomen patronen in het fossielenbestand geen artefacten, maar feitelijke waarnemingen zijn.

2. De methoden op basis van isotopen zijn onbetrouwbaar.

- onder constructie -



 


Порно