Voorzijde
Evolutie FAQ
Bewijzen
Antwoorden
Degeneratie?
Reacties
Links
Login


  Artikel info
Auteur(s): Hans Peterse

GecreŽrd:
15/11/2004
Laatste wijziging:
15/11/2004
Eerder gepubliceerd:
Op de oude website

  Speciaal
Terug naar de inhoud
Reageer op dit artikel
Wijzig dit artikel
Schrijf nieuw artikel

  Lees ook:
onder constructie...

5. 'Geest' en de wet van Midas

5.0 In zijn hoofdstuk 16 richt Scheele zich tegen het materialisme. Of een puur materiŽle beschrijving en verklaring van leven, van "geest" (of "bewustzijn"), enz. nu compleet is of niet, is een interessante filosofische discussie, die echter voor de discussie creatie-evolutie geen consequenties heeft of hoeft te hebben.



Wij kunnen het verschil in 'geest' (in de zin van 'bewustzijn') tussen mens en aap (chimpansee bijvoorbeeld) in materiŽle termen beschrijven 1).

De 'zetel' in de hersenen van allerlei cognitieve vermogens is aanwijsbaar; de verschillen in de cognitieve vermogens tussen dieren en mensen en dieren onderling zijn gecorreleerd aan verschillen in grootte en structuur van de hersenen; men vermoedt dat leerprocessen een fysieke basis hebben, niet alleen inzoverre dat de hersenen een voorwaarde zijn voor leerprocessen (noodzakelijke 'lichamelijke toerusting' - zie p.207), maar ook in de zin dat leren feitelijk fysieke veranderingen in de hersenen veroorzaakt, namelijk verbindingen creŽert die er eerst niet waren.

In dit opzicht is er weliswaar een groot, maar geen principieel verschil tussen chimp en mens: ook dieren hebben 'een geest' (p.214).

Aangezien het genetisch materiaal de blauwdruk bevat voor het bouwen van genoemde lichamelijke structuren, is er minstens een stevige relatie tussen DNA en 'geest' in deze zin.

De verschillen in cognitief vermogen tussen chimpansee en mens zijn derhalve voor een deel herleidbaar tot de genetische verschillen die voor onze wederzijdse hersenen programmeren, en op het conto te schrijven van een evolutieproces. Voor een ander deel zijn de verschillen toe te schrijven aan de culturele evolutie die sinds een paar duizend jaar de fakkel van de darwinistische evolutie overgenomen heeft.

Of we hiermee de hele kwestie afgedekt hebben, is de vraag, maar die vraag - of het antwoord daarop - 'bewijst' niets ten gunste of ongunste van de uitgangsvraag van Scheeles boek: was er evolutie of niet.

Het begrip 'geest' losgekoppeld van het materiŽle, in een meer esoterische betekenis (of om het even welk niet-materieel interpreteerbare, in het bovennatuurlijke thuishorende begrip) ligt buiten het domein van de wetenschap. Wat deze 'geest' ook moge zijn, de wetenschap kan er niets over zeggen (zoals Scheele terecht opmerkt p.211) - dus ook niet dat hij niet bestaat.

Dit 'onvermogen [van de wetenschap] om het hogere te ontdekken' schrijft Scheele toe aan 'een reductionistische manier van naar de dingen kijken' en duidt hij aan als 'de wet van Midas' (p.206).

Wat Scheele daarmee bedoelt wordt duidelijk in het 'Intermezzo' (getiteld: De wet van Midas) tussen beide delen van zijn boek in. Scheele stelt hier - in klaarblijkelijk afkeurende zin - dat de wetenschap geen dingen kan ontdekken 'die boven het direct waarneembare uitgaan' (cursivering van Scheele) en dat (dus ook) 'God door de huidige beschrijvende manier van wetenschapsbeoefening per definitie niet te ontdekken is' (cursivering idem) (pp.122-123).

Dit is juist (afgezien van het 'direct' in het eerste citaat) en inderdaad zou men kunnen zeggen dat dit meer (of evenveel) zegt over de wetenschap dan over het bestaan van God. Het is echter van groot belang te beseffen dat de beperking tot het in principe (direct of indirect) waarneembare, (dus) tot het aan de materiŽle werkelijkheid toetsbare, voor de wetenschap 2) essentieel is: zonder dit basisprincipe is wetenschap eenvoudig niet mogelijk.

Ten eerste is wetenschap gericht op het beschrijven en verklaren van de fysieke, van de materiŽle wereld. De enige bron waarvan wij (en vooral: wij allen samen, als collectief - zie beneden) met redelijke zekerheid weten dat die ons informatie kan bieden over de fysieke, materiŽle wereld, is die wereld zelf.

Ten tweede is wetenschap een autonome (een meer gebruikelijke term is misschien 'onafhankelijke'), democratische en collectieve activiteit. Hiermee bedoel ik dat de wetenschap geen autoriteit (in de absolute zin) erkent, hetzij binnen, hetzij buiten het wetenschappelijk domein, maar dat zij bedreven wordt door individuele wetenschappers over de hele wereld en dat haar product, wetenschappelijke kennis, 'gemaakt' wordt door die wetenschappers samen. Daarom spreekt het ook vanzelf dat aanspraken van buiten-wetenschappelijke autoriteiten/'autoriteitsbronnen' - in verband met de darwinisme-creationisme-discussie wordt bijvoorbeeld de bijbel genoemd - door de wetenschap niet worden erkend. Dat wil niet zeggen dat niet-wetenschappelijke, bijvoorbeeld ethische, overwegingen geen rol kunnen of moeten spelen. Maar over zulke belangen wordt in een in principe democratisch debat beslist: hetzij binnen de wetenschap, hetzij daarbuiten, bijvoorbeeld in het politieke debat, of in een buiten-parlementaire maatschappelijke discussie (waar dan uiteraard ook kerken, of groepen van gelovigen hun stem kunnen doen gelden).

In de huidige tijd, waarin iedereen in principe gelijk(waardig) is, is een andere opvatting van wetenschap dan deze democratische of dialectische ondenkbaar en ongewenst. (Uiteraard ben ik me ervan bewust dat de praktijk soms anders is dan de leer - maar over het principe kunnen we het eens zijn; en het gaat hier om een principiŽle discussie.)

Het moge duidelijk zijn dat een dergelijk dialectisch proces, waarin gezamelijk, stap voor stap, aan het kennis-bouwwerk gebouwd (en gesloopt) wordt, alleen mogelijk is indien men beschikt over argumenten of methoden waarmee men over hypothesen kan beslissen - met behulp waarvan men de ene hypothese tegen de andere kan afwegen; en indien men over zulke argumenten, althans in principe, een consensus kan bereiken. Het is gemakkelijk in te zien dat zo'n consensus allťťn bereikt kan worden op rationele argumenten die betrekking hebben op het materiŽle, het fysieke, en niet op argumenten die betrekking hebben op het bovennatuurlijke (d.w.z. principieel onwaarneembare). Over dit laatste zullen mensen van verschillende levensovertuigingen noodzakelijkerwijs van mening blijven verschillen, zonder beslissende argumenten in de hand te hebben waarmee de positie van de ander kan worden weerlegd (of: als ze die menen te hebben, heeft de andere partij ze ůůk, wat op hetzelfde neerkomt). Wanneer men een beroep op argumenten die betrekking hebben op het bovennatuurlijke zou toelaten binnen de wetenschap, zou men in ťťn keer de bodem onder de wetenschap vandaan slopen.

'Nou Ťn!' kan de creationist zeggen. Is de wetenschappelijke manier om naar de wereld te kijken dan de enige juiste 3) ? Natuurlijk niet, en ook Midas Dekkers zal dat niet beweren. Voor wie in een museum rondloopt is de esthetische kijk de meest geŽigende, bij het zorgbeleid of in het ziekenhuis speelt naast de wetenschappelijke, de ethische een belangrijke - of de belangrijkste - rol, en in de kerk de religieuze. Maar voor wie de materiŽle of fysieke wereld wil doorgronden (de doelstelling van de wetenschap) is ongetwijfeld de wetenschappelijke kijk de beste, of zelfs enige juiste, manier. Om de doodeenvoudige reden dat er (net als voor de evolutietheorie) geen alternatief is. En het beste argument dŠŠrvoor is ook het simpelste: het pragmatische. Kijk naar wat die manier van kijken ons heeft opgeleverd, aan kennis en aan mogelijkheden tot manipulatie, zeg maar, aan technische mogelijkheden. En probeer maar eens een andere manier van kijken te vinden die een vergelijkbaar succes (in termen van kennis) heeft gehad of daartoe zou kunnen leiden.

'Worden we daar dan gelukkiger van? Moeten we daar blij mee zijn?' is dan het laatste houvast van de tegenstander. Wel - 'Misschien wel niet' zou het antwoord kunnen zijn 4). Maar daar gaat de wetenschap niet over. Hier is het voorbeeld van toepassing wat ik al eerder gaf (hoofdstuk 1, noot 8). Misschien zijn die ontwikkelingen, of die technische verworvenheden die ons soms doen verzuchten dat we er beter niet aan hadden kunnen beginnen, nog wel het beste bewijs dat de wetenschap het met haar opvatting over hoe de wereld in elkaar zit, bij het rechte eind heeft.

Door de wetenschappelijke methode in feite af te keuren laat Scheele zien dat hij - zoals menig creationist 'wants to have it both ways'. Enerzijds wijst hij de wetenschap af, anderzijds beoogt hij het darwinisme aan wetenschappelijke maatstaven te toetsen, en een alternatieve wetenschappelijke theorie te bieden. (Dat zijn alternatief in feite niet wetenschappelijk is - de schijn die zijn voorspellingen moeten wekken kan niet echt bedriegen - doet aan die intentie niets af.) Scheeles houding doet enigszins denken aan wat Brandt Corstius eens de 'advocatentruc' noemde: 'De rechtbank is niet ontvankelijk. Is ze dat wel, dan heeft mijn client een alibi. Gelooft u het alibi niet, dan... enz.' 5). Ofwel: op wetenschappelijke gronden deugt het darwinisme niet (en het creationisme wel?!); mocht dit niet vol te houden zijn, dan wijs ik alsnog de wetenschappelijke methode af. Zo'n inconsistente houding is niet erg geloofwaardig: ůf je 'gelooft' in je criteria, ůf niet; je maakt het 'geloof' in je criteria niet afhankelijk van de mate waarin de uitkomst je 'uitkomt'.

Dat Scheele zich wel degelijk tegen de wetenschap an sich afzet - en niet alleen tegen de huidige manier van wetenschap bedrijven - heb ik boven duidelijk gemaakt door te betogen dat de rationeel-empirische benadering van de wetenschap de enige mogelijke is - dat wetenschap rationeel-empirisch is per definitie.



< Vorig hoofdstuk | Terug naar de voorkant | Volgend hoofdstuk >


Noten

1) Scheeles argument voor de onmogelijkheid van de evolutie van mens en chimp uit een gemeenschappelijke voorouder lijken mij geen hout te snijden. Het belangrijkste argument is, dat het aantal verschillen te groot is: 7 miljoen jaar is niet genoeg voor 60 miljoen verschillen, zegt Scheele. Maar hij onderbouwt dat niet met berekeningen, dus hoe hij tot die conclusie komt is niet duidelijk. Volgens mij is de gemiddelde mutatiesnelheid ongeveer ťťn mutatie per (individueel) genoom, ofwel: ťťn per ieder individueel lid van een generatie. Anders gezegd: ieder lid van een populatie geeft gemiddeld ťťn mutatie door aan het nageslacht. Dus pakweg 300.000 generaties maal een populatie van (gemidd.) 10.000 - 100.000 (een willekeurig getal - overigens doen de chimps natuurlijk ook mee, waarschijnlijk is het behoorlijk te laag ingeschat) levert 3^9 tot 3^10 mutaties op als 'basismateriaal' voor selectie. Relevanter dan de mutatiesnelheid is de evolutiesnelheid van het genoom: en de formule daarvoor kent teveel onzekerheden/moeilijk in te schatten factoren (waaronder de ontwikkeling van de populatiegrootte bij onze voorlopers en die van de chimps) om veel houvast te bieden. Misschien heeft Scheele aan de - met een t.o.v. de tijd regelmatige snelheid voorttikkende - moleculaire klok gedacht, maar die heeft betrekking op proteÔne-evolutie, niet op genen-evolutie (beiden gaan niet gelijk op).

Zie voor dit alles o.a. Ridley (op.cit.), pp.75 e.v. een pp.164 e.v..

Scheeles overige argumenten op grond van het genetische verschil tussen mens en chimp zijn mij niet helemaal duidelijk. Het lijkt erop dat Scheele de verschillen (1) te groot vindt om door evolutie vanuit een gemeenschappelijke voorouder ontstaan te kunnen zijn, en tegelijk (2) te klein om de uiterlijke verschillen (inclusief die in, zeg maar, gedrag) te kunnen verantwoorden. Dat is nog eens een mooi voorbeeld van de data naar je toe redeneren!

Wat (1) betreft, het verschil is gering, en zoals ik zojuist heb laten zien binnen de grenzen van wat gezien de gemiddelde mutatiesnelheid mogelijk is. In mijn bespreking van het eerste deel van Scheeles boek heb ik bovendien laten zien dat mutaties (afgezien natuurlijk van de schadelijke) voor een organisme helemaal niet zo'n groot probleem hoeven te zijn als Scheele suggereert. Scheele stelt wel dat het genetisch verschil tussen mens en chimp onacceptabel is 'in het kader van dit boek', maar dit kader hoeven we natuurlijk niet te accepteren!

Wat (2) betreft, het argument dat zo'n gering percentage verschil te klein is om het verschil tussen chimp en mens te verklaren is helemŠŠl op drijfzand gebouwd: er valt absoluut niet te zeggen hoe groot het verschil in genen moet zijn om een bepaalde mate van fenotypisch verschil te verklaren. Bovendien heeft in dit geval de culturele evolutie bij de mens de zaak gecompliceerd: de vraag wat in ons gedrag 'nature' (dus genetisch bepaald) is en wat 'nurture', heeft nog niemand bevredigend kunnen oplossen.

Tenslotte, zou je stellen dat een deel van het verschil gebaseerd is op een immaterieel begrip 'geest', dan is daarmee niet gezegd dat er geen evolutie heeft (kunnen) plaatsvinden (de 'inzet' van Scheeles boek)!

Overigens is het vreemd om een argument te baseren op een gegeven (het percentage verschil in genen tussen mens en chimp) dat je eerst min of meer als 'natte-vingerwerk' afdoet!

Wat Scheeles overige argumenten hier betreft:

- Wat betekent 'qua complexiteit ... komen ze vůůr de mens' buiten een evolutie-context (met name 'voor')?

- 'Er hoeft maar ťťn essentieel ... te zijn' is natuurlijk geen argument: de argumentatie is gebouwd op een conditie waarvan verder niet wordt gesteld - laat staan aangetoond - dat hij het geval is. Overigens heb ik in mijn bespreking van het eerste deel van het boek laten zien hoe problematisch het is om aan te tonen dat een gen niet geŽvolueerd kan zijn.

- Het aantal chromosomen is geen probleem. Bij Pitymys-muizen bijvoorbeeld - die zo op elkaar lijken dat men tot nu toe nog niet in staat is geweest het soortencomplex eenduidig te ontrafelen, Scheele moet ze toch haast wel tot ťťn oertype rekenen - variŽren de aantallen chromosomen sterk tussen de soorten.


2) Ik heb het hier, en in het vervolg, in de eerste plaats over de natuurwetenschappen.


3) Ik parafraseer Scheeles slotopmerking op p. 123, die ik hier meteen beantwoord.


4) Maar welke moderne westerse mens zou van de technische hoogstandjes temidden waarvan hij of zij het leven doorbrengt, of van de verworvenheden van de medische wetenschap afstand willen doen?


5) Brandt Corstius: 'Niet is Zeker', Volkskrant, datum mij onbekend, voorbeeld aangepast. Dennett (1995, p.154) gebruikt een andere metafoor, die hij ontleent aan de Sousa: 'Intellectual tennis without a net'. Het idee is dat de creationist het net gespannen houdt wanneer de darwinist de bal slaat, maar het laat zakken op het moment dat hij de bal retourneert.









 


новые порно ролики hd