Voorzijde
Evolutie FAQ
Bewijzen
Antwoorden
Degeneratie?
Reacties
Links
Login


  Artikel info
Auteur(s): Fedor A. Steeman
drs. Biologie
...
Gecreërd:
23/12/2004
Laatste wijziging:
23/12/2004
Eerder gepubliceerd:
Op de oude website

  Speciaal
Terug naar de inhoud
Reageer op dit artikel
Wijzig dit artikel
Schrijf nieuw artikel

  Lees ook:
onder constructie...

De waarheid over 'Punctuated Equilibria'

Creationisten wapperen vaak met citaten uit artikelen van Gould en Eldredge waarin zij hun theorie van Punctuated Equilibria uiteenzetten. Dit soort citaten moeten de indruk wekken dat zelfs gerespecteerde (en fel anti-creationistische) evolutionair-biologen toegeven dat het fossielenbestand waardeloos is m.b.t. de evolutie-theorie. Ook wordt Gould en Eldredge's theorie vaak gemisinterpreteerd en als gevolg daarvan gekarikaturiseerd als een ongeloofwaardige theorie die uitgaat van absurde evolutionaire sprongen. Ik zal hieronder uiteenzetten waar deze misciteringen en misinterpretaties in feite op neerkomen.

Als je wat Gould en Eldredge met hun theorie willen zeggen in één zin zou kunnen samenvatten zou dat als volgt zijn:

"Het is een gegeven dat geleidelijke overgangen tussen de verschillende fossiele soorten niet of nauwelijks worden gevonden, maar daar is eigenlijk een hele logische (darwinistische) verklaring voor."

Zoals zij door creationisten vaak worden geciteerd doet overkomen dat ze het volgende willen zeggen:

"Het is een gegeven dat geleidelijke overgangen tussen de verschillende fossiele soorten niet of nauwelijks worden gevonden."

M.a.w. het laatste en meest essentiële gedeelte van hun betoog wordt weggelaten, waardoor je een vervorming krijgt van wat ze eigenlijk willen zeggen! Nù wordt de indruk gewekt dat zij wijzen op iets wat niet in de evolutietheorie past, terwijl ze juist een mechanisme aangeven dat dit ontbreken van geleidelijke overgangen verklaart! Welnu, is dit nog wel een eerlijke vorm van argumenteren van de kant van de creationisten? Ik zou zeggen van niet!

De verklaring voor het uitblijven van geleidelijke overgangen past uitstekend in de evolutie-theorie en vereist helemaal geen absurde gebeurtenissen zoals een kip die een ei legt waar een pauw uit komt. De verklaring is dat evolutie zich in zo'n beperkt deel van het verspreidingsgebied en/of in zo'n (geologisch gezien) korte tijd afspeelt dat het alleen maar logisch is dat de geleidelijke overgangen niet worden gevonden. Dit heeft te maken met de zogenaamde peripatrische (of allopatrische) speciatie, een model van soortsvorming waarbij de evolutie in een kleine, geïsoleerde populatie plaatsvindt, buiten de moederpopulatie.

Evolutie verloopt sneller in een kleine populatie, omdat nieuwe genen zich sneller kunnen verspreiden over de hele populatie. Bij herstelling van het contact met de moederpopulatie verspreiden ofwel de nieuwe eigenschappen (mits gunstig) zich door de populatie in relatief korte tijd, ofwel verdringt de door reproductieve isolatie nieuw ontstane vorm de voorouderlijke vorm in relatief korte tijd. Aangezien de evoluerende populatie zo klein en afgelegen is, is er maar een minieme kans is dat vertegenwoordigers hieruit in het fossielenbestand terechtkomen.

Dit verklaart waarom een soort lange tijd onveranderd en stabiel blijft en dan plotseling een 'sprongetje' lijkt te maken. Dit is natuurlijk geen echt sprongetje van generatie-op-generatie in één lijn, maar een nieuwe vorm die de oude vervangt binnen een klein aantal generaties.

Een andere denkfout van creationisten is dat zij deze 'sprongetjes' verwarren met het ontbreken van overgangsvormen. De sprongetjes vinden plaats tussen fossiele sequenties die goed gedocumenteerd zijn. Juist omdat ze goed gedocumenteerd zijn, kunnen we we waarnemen dat er om de zoveel tijd een sprongetje plaatsvind. Deze sprongetjes vinden dus plaats binnen een enkele soort of geslacht en hebben niets te maken met het al of niet ontbreken van overgangsvormen tussen grotere diergroepen.

Als Gould en Eldredge dus zeggen dat geleidelijke overgangen ontbreken, doelen zij op het verschijnsel dat bepaalde, goed gedocumenteerde fossiele soorten/geslachten sprongetjes maken in hun evolutie, en niet dat er geen overgangsvormen bestaan tussen grotere groepen. Die laatste zijn er juist wel!